04 aug 2017 | Verhaal

Cocaïne verandert ons brein

Nederland feest zich deze zomer suf op festivals als Pinkpop, Lowlands, Dancevalley, Mysteryland. Een deel van de bezoekers doet zich niet alleen tegoed aan de muziek, maar ook aan geestverruimende middelen. Verstandig? Deze aflevering: cocaïne.

Cokesnuivers zijn niet de makkelijkste proefpersonen. Dat was de eerste praktische les die cognitief neurowetenschapper Anne Marije Kaag bij het begin van haar promotieonderzoek leerde. “Ik wilde zeventig mannelijke cokesnuivers tijdens een MRI-onderzoek van een uur vergelijken met zeventig niet-gebruikende controlepersonen. Maar ondanks bijvoorbeeld briefjes op de spiegels in de toiletten van uitgaansgelegenheden, liep het in het begin niet storm met gebruikers die zich vrijwillig meldden voor het onderzoek”, memoreert de promovenda.

Een artikel in AMC Magazine bracht uitkomst. “Het stuk werd opgepikt door andere media, waarna de bal ging rollen. Na stukjes op nieuwssites en interviews op populaire radiostations, stond de telefoon dagenlang niet meer stil. Maar dan nog. Om uiteindelijk zeventig gebruikers in de scanner te krijgen, heb ik ook tevergeefs op zo’n vijftig mensen zitten wachten die hadden toegezegd te komen.”

Beloning

Kaag, die in mei 2016 promoveerde, kon de gebruikers ook geen therapie in het vooruitzicht stellen, laat staan een substantiële beloning. Terwijl ‘beloning’ wel lange tijd het sleutelwoord is geweest in het onderzoek naar verslavingsproblemen. “Het idee is dat verslaafden minder gevoelig zijn voor natuurlijke beloners, zoals lekker eten, seks of geld, dan andere mensen. Verslaafden hebben meer nodig dan dat om het beloningssysteem in hun hersenen te prikkelen. Deze theorie staat wetenschappelijk gezien weliswaar als een huis, maar heeft toch nog niet geleid tot concrete therapieën waarmee je mensen kunt helpen.”

In plaats van op de beloning, richtte Kaag zich daarom op een ander kenmerk van verslaafden. “Uit de kliniek weten we al vrij lang dat verslaafden in sterke mate worden geprikkeld door stress en negatieve emoties uit het heden en het verleden. Desondanks werden die aspecten nog nauwelijks bekeken in het neuro-onderzoek. Tot dit onderzoeksproject.”

Twintig lijntjes

Naar schatting één op de veertig Nederlanders tussen de 15 en 35 jaar oud gebruikt wel eens coke. Van die recreatieve gebruikers zal 20 procent uiteindelijk een verslaving ontwikkelen. “Dat is een heel erg ruwe schatting”, nuanceert Kaag. “We weten hoeveel mensen zich bij de verslavingszorg melden, maar hoeveel er daadwerkelijk een probleem hebben, is veel minder duidelijk. Voor ons onderzoek hebben we bijvoorbeeld gebruikers geselecteerd die tenminste één gram per week snoven. Voor de kenners: dat zijn twintig lijntjes. Daarnaast bepaalden we via een vragenlijst of dit gebruik tot sociale of fysieke problemen leidde, met andere woorden: of er echt sprake was van probleemgebruik. Onder de zeventig verslaafden die we op deze manier uiteindelijk in onze studie kregen, zaten dus nauwelijks bekenden van de verslavingszorg.”

De proefpersonen gingen de MRI-scanner in en kregen verschillende eenvoudige testjes. “Bij één daarvan koppelden we een bepaald plaatje aan een negatieve prikkel. Op die manier wisten de mensen na een paar testrondes dat ze na het zien van, zeg, een blauw vierkantje een milde, maar toch vervelende prikkel zouden krijgen.” Vervolgens keek Kaag hoe de verschillende delen van de hersenen reageerden op bijvoorbeeld het vooruitzicht van zo’n vervelende ervaring. “We hebben onder andere geleerd dat de hersenen van gebruikers veel sterker reageren op de negatieve informatie achter dat blauwe vierkantje, dan de controlepersonen.”

Coke, cannabis en alcohol

Om haar experimenten niet al te ingewikkeld te maken, beperkte Kaag zich tot mannelijke gebruikers. “Ten eerste zijn er veel meer mannelijke dan vrouwelijke snuivers. Daarnaast is de hormonale status van vrouwen ook van invloed op de hersenscans. Dat zou betekenen dat ik al die vrouwen op precies hetzelfde moment in hun maandelijkse cyclus zou moeten testen. Zowel uit praktisch als statistisch oogpunt werd dat een lastig verhaal.”

Op een ander vlak koos de onderzoekster juist wél voor variatie in haar onderzoeksgroep. “Veel research uit het verleden heeft zich omwille van de statistiek alléén gericht op cokesnuivers, die verder niets anders mochten gebruiken. Maar dat heeft niet veel met de dagelijkse praktijk te maken. De meeste gebruikers drinken ook stevig of gebruiken cannabis naast de coke.”

Toen Kaag die zogenoemde poly-drugsgebruikers in haar onderzoek vergeleek met mensen die zich beperkten tot coke, zag zij dat de poly-gebruikers duidelijk meer beschadigingen in de witte stof van hun hersenen hadden dan de strikte snuivers. “Het blijft daarbij natuurlijk wel de vraag of die schade een oorzaak of een gevolg is. Maar het zou goed zijn als er specifiek op dat meervoudig gebruik wordt gelet in de verslavingszorg. In ieder geval is poly-gebruik een belangrijke risicofactor voor het falen van therapie. Er wordt nu onderzoek opgezet om te kijken of verslaafden baat hebben bij magnetische stimulatie van hun brein. Mijn advies zou zijn om bij dat onderzoek extra te letten op poly-drugsgebruikers.”

Aanknopingspunten

De studie van Kaag heeft nog niet geleid tot een compleet nieuwe aanpak van de verslavingszorg. Toch heeft zij wel degelijk aanknopingspunten gevonden voor verder onderzoek. “Een volgende stap zou kunnen zijn om de gevoeligheid van verslaafden voor negatieve informatie te koppelen aan het al dan niet slagen van een behandeling. Als je weet dat een verhoogde gevoeligheid voor negatieve informatie de kans op succes van een gewone behandeling verlaagt, zou je op die groep een andere therapie kunnen loslaten.”

Tegelijk weet Kaag dat de mogelijkheden op dat gebied relatief beperkt zijn. “Anders dan voor alcohol, bestaat er voor cokeverslaving bijvoorbeeld nog geen medicinale behandeling. Maar ook daarvoor biedt dit onderzoek mogelijk aanknopingspunten. We hebben in ieder geval op detailniveau laten zien waar de hersenen van cokegebruikers, gemiddeld genomen, verschillen van die van andere mensen. Middelen die op het stress-systeem van ons brein werken zouden een potentiële optie zijn.”

Verwoestend

Voor Kaag persoonlijk was het onderzoek boven alles ook een maatschappelijke eye-opener. “Ik vond het behoorlijk heftig om te zien hoeveel jonge mensen door cokegebruik in de problemen komen. Neem een vader van jonge kinderen die zegt te willen investeren in zijn gezin, maar die, zodra hij ook maar een beetje geld in zijn zak heeft, toch weer naar de dealer loopt … dat laat zien dat cokegebruik echt verwoestend kan zijn. Het belang van dit soort onderzoek is dan ook groot. Dit zijn misschien mensen die ooit, net als jij en ik, een keer wat hebben geprobeerd, maar dit zijn zeker geen mensen die ervoor kiezen om verslaafd te raken. Als mijn onderzoek er een heel klein beetje aan heeft kunnen bijdragen dat dát stigma eraf gaat, dan heb ik voor mijn gevoel al heel wat bereikt.”

Tekst: Rob Buiter

Foto: Vincent van den Hoogen/Hollandse Hoogte

Dit artikel is in mei 2016 in AMC Magazine verschenen