12 okt 2017 | Verhaal

Désirée Hairwassers: “Je moet de patiënt zien als volwaardig lid van het behandelteam."

Wat zouden artsen, of artsen in opleiding nog kunnen leren over de omgang met patiënten? Om te helpen een antwoord op die vraag te formuleren, gaf ervaringsdeskundige Désirée Hairwassers op 10 oktober het gastcollege ‘Patiënt als partner’. Desgevraagd zet ze daarna nog even de puntjes op de i.

Eenieder die de diagnose ‘kanker’ krijgt, schrikt zich een ongeluk. Patiënten denken vaak dat ze de dood al in de ogen kijken nog voordat er is gesproken over een mogelijke behandeling.

Désirée Hairwassers is vrijwilliger bij de Borstkankervereniging en ervaringsdeskundige. Ze kreeg in 2007 te horen dat ze borstkanker had. Ze was toen 36 jaar, had man en kind, en was als gezondheidswetenschapper werkzaam in de farmaceutische industrie. Wat volgde was een periode van chemokuren, borstamputatie, eierstokverwijdering, bestraling. Ze omschrijft die tijd als een emotionele achtbaan waarin ze de dood in de nek voelde hijgen. Sindsdien is de kanker bij haar weggebleven, maar ze benadrukt dat dat geen garantie is voor de toekomst.

Wezenlijk voor hoe de patiënt zich voelt tijdens alle behandelingen, benadrukt Hairwassers, is de benadering door artsen. “Er bestaat niet zoiets als ‘de’ patiënt: elk mens reageert verschillend, heeft verschillende prioriteiten en verwachtingen. Leef je in in de positie van de individuele patiënt.”

Artsen moeten ervoor waken dat ze niet over het hoofd van de patiënt heen denken, praten en beslissen. “Je moet de patiënt zien als volwaardig lid van het behandelteam. Je beslist samen over een behandelplan. De patiënt zal doorgaans kiezen voor het plan met de grootste kans op overleven, maar weet niet wat daarvoor echt nodig is.”

Vindt Hairwassers dat patiënten zelf moeten beslissen welke behandeling  ze zullen ondergaan? “Nee. Maar geef eerlijke informatie. En kom dan tot een gedeelde besluitvorming. Artsen dènken dat ze aan gezamenlijke besluitvorming doen. Daarvan zie je twee varianten: artsen geven uitleg en de patiënt wordt geacht ‘ja’ te zeggen. Of artsen leggen uit en zeggen vervolgens: ‘Zegt u maar welke behandeling we kiezen’. Daarmee zadel je de patiënt op met een verantwoordelijkheid die hij of zij helemaal niet aankan. Een patiënt kan niet beslissen of een chemokuur wel of geen zin heeft. De arts blijft verantwoordelijk tijdens het proces van samen-beslissen. Ook wanneer de patiënt iets anders wil dan de arts.”

Maar valt er met zo’n panische patiënt wel te praten? “Er is een delicate balans in de mening van de patiënt: die opinie is altijd door angst ingegeven, waardoor veel patiënten niet meer rustig kunnen oordelen. Daarom: het is belangrijk naar patiënten te luisteren; anderzijds moet je ze ook tegen zichzelf in bescherming nemen. Ikzelf was zó bang dat ik zei: haal alles maar weg en eruit. Borsten geamputeerd, eierstokken verwijderd. Achteraf gezien was het verwijderen van de eierstokken een onverstandige wens van mij.”

“Als iemand zegt: ik ben bang dat ik hieraan doodga”, dan kan de arts zeggen: ‘Ik begrijp dat je dat zegt. Maar vooralsnog heb ik geen reden om dat aan te nemen. Zullen we kijken wat we voor je kunnen doen?’”

Worden artsen geconfronteerd met timide patiënten, dan is het volgens Hairwassers geraden extra zorg te besteden aan de vertrouwensband: “Geef gewoon je e-mailadres: ze zullen je echt niet continu lastigvallen. Maar vragen komen nooit bij de arts terecht wanneer patiënten die niet kunnen stellen wanneer zij daartoe wèl in staat zijn.”  

Belangrijk in Hairwassers betoog is ook dat artsen patiënten te allen tijde moeten blijven zien als een volwaardig individu met gevoelens. Zo beschrijft ze hoe ongemakkelijk het voelt om met ontblote borsten in een polikliniek te staan, met meerdere mensen erbij. En echt heel naar is het om in een academisch ziekenhuis te liggen en dan een dokter aan je bed te krijgen die wordt vergezeld door een hele kluit geneeskundestudenten die over je praten alsof je er zelf niet bent. “Stel jezelf voor, als arts, en stel de studenten voor aan de patiënt. Zeg: ‘Deze mensen volgen een medische opleiding, vindt u het goed dat ze proberen te leren van uw verhaal?’ Zo benader je de patiënt met respect.”

Tekst: Mieke Zijlmans