20 sep 2017 | Verhaal

Opeens stortte Sanne in

Sanne (23) kreeg een burn-out en moest een klein jaar verplicht ‘niks’ doen. Een moeilijke opgave voor een student die gewend is aan de prestatiecultuur in het geneeskundeonderwijs.

Ze had niets in de gaten. Zonder problemen had Sanne in drie jaar haar bachelor gehaald. Ze volleybalde bij een vereniging, ging naar festivals, had het naar haar zin op kamers in Groningen, deed bestuurswerk voor de volleybalvereniging – Sanne was kortom in alle opzichten een tevreden geneeskundestudent. In haar masterjaar begon ze vol goede moed met de voorbereidingsvakken op haar coschappen.

Tot zover een verhaal waarin bijna alle studenten en artsen zich kunnen herkennen. Wat volgt is een verhaal dat weliswaar velen kennen, maar dat een stuk minder vaak wordt verteld. Het was maart 2015, en geneeskundestudent Sanne, destijds 21 jaar, stortte in. “Het is moeilijk te omschrijven maar het voelde alsof alles, maar dan ook alles, te veel was. Ik wist gewoon niet hoe ik het einde van de week moest halen, alsof er geen enkele uitweg was”, vertelt ze. “In mijn hoofd was het één grote chaos waarin alles even groot en onoverkomelijk was. Een collegeblok kopen werd even belangrijk als een tentamen leren. Er was geen overzicht, alleen paniek. Tot rust komen lukte niet, mijn lijf was continu gespannen. Ik was alleen maar bezig met wat ik nog moest doen.”

In de ‘overlevingsstand’ sloeg Sanne zich door de dagen heen, totdat haar oom overleed. “Het was de druppel. Ik kon het er niet bij hebben.” Ze meldde zich ziek om de reden van het overlijden, maar merkte thuis dat er nog meer aan de hand was. “Eigenlijk wilde ik alleen maar slapen, ik kon me nergens toe zetten. Het ergste vond ik nog dat het overlijden van mijn oom me niet eens zo veel deed. Natuurlijk wist ik dat ik het heel erg vond, maar ik voelde het niet. Alsof ik op afstand stond. Toen besefte ik dat er echt iets mis was.”

Studie onderbreken

Een burn-out, constateerde de huisarts, en raadde haar aan haar studie te onderbreken. Ze moest rust hebben, veel rust. “Maar dat lukte ik nu juist niet. Bovendien: ik kon toch niet thuis gaan zitten niks doen?” Ook de studieadviseur vond dat ze met haar studie moest stoppen. “‘Het klinkt hard, maar wij kunnen jou zo niet hebben’, zei hij. Dat was goed, want anders was ik gewoon doorgegaan. Door die opmerking besefte ik: het gaat niet alleen om mij, maar ook om de patiënten.”

Haar bestuursfunctie hield Sanne aan, al namen haar bestuursgenoten haar steeds meer uit handen. “De dingen die ik deed, gingen ook niet echt goed. Ik maakte veel fouten. Dat gebeurde me voorheen nooit – ik ben een perfectionist – dus die fouten maakten me erg onzeker. Daardoor werd de druk om het goed te doen alleen maar hoger.”

Pas toen het bestuursjaar in oktober voorbij was, kon ze echt gaan werken aan haar herstel. “Ik moest van de psycholoog iets zoeken waar ik me op kon focussen, maar zonder dat het te inspannend of ingewikkeld was. Hardlopen, wat ik graag doe, kostte bijvoorbeeld teveel energie. Wandelen kon ik wel.” Bijna verontschuldigend grinnikt ze: “En ik heb veel van die 1000-stukjes-puzzels gelegd. Want de hele dag niks doen, dat kon ik niet aan. Ik voelde me zó’n mislukkeling.”

Enorme prestatiecultuur

Sanne werd gedwongen een radicaal ander leven aan te nemen dan het leven dat ze tot dan toe geleid had. “Ik had mijn geluk en voldoening altijd gehaald uit veel dingen doen. Dat hóórde ook zo. In het geneeskundeonderwijs heerst een enorme prestatiecultuur. Dat begint al op de middelbare school: ik wilde gemiddeld een acht halen om zeker te zijn van een plek. Tijdens de studie zet zich dat voort. Je bouwt hard aan je CV, omdat je dan meer kans maakt op goede stageplekken en later op opleidingsplekken. Je weet dat er schaarste is, dus je moet je onderscheiden – iedereen doet dat. Je valt eigenlijk zelfs meer op als je geen vrijwilligerswerk, commissiewerk, of een buitenlandjaar doet. Het voelde als falen, als ik dat niet zou doen. Mijn vriendinnen waren ook allemaal bezig met honourstrajecten, onderzoeksprojecten en studie-gerelateerde bijbanen.”

Sanne heeft weliswaar geen spijt van haar bestuursjaar, maar het was ‘misschien niet de slimste keuze’, geeft ze toe. “Ik deed het niet alleen omdat ik dacht dat het moest, ik vond het heel leuk. Maar het heeft wel degelijk meegespeeld dat het goed op mijn CV zou staan.”

Do-it-yourself reïntegratie

Na ongeveer een klein jaar begon Sanne op te krabbelen. “Doorgaans bouwen mensen na een burn-out hun werk of studie weer geleidelijk op. Maar bij een geneeskundestudie kan dat niet. Coschappen kun je niet eerst een paar uur in de week doen, en dan steeds wat meer. Het is alles of niets, zeiden de studieadviseurs.” Sanne moest haar reïntegratietraject daarom zelf uitvinden en regelen. “Dat kostte veel energie. Gelukkig heb ik lieve vriendinnen die bijvoorbeeld af en toe voor mij informeerden bij vrijwilligersorganisaties of ik daar wat uren mocht meedraaien.”

Zo stelde ze bij wijze van do-it-yourself reïntegratie een programma op met uurtjes als vrijwilliger in een verzorgingshuis, en kleine onderzoeksprojectjes. “Maar ideaal was het niet. Ik vond het heftig om te merken dat er vanuit de opleiding helemaal niet werd meegedacht. Als je een lichamelijk probleem hebt, is de houding bij studieadviseurs heel anders. Zo hoorde ik bij toeval dat een zwangere student wél een aangepast programma kreeg, met vier in plaats van vijf dagen coschappen per week. Pas toen ik er nogmaals expliciet naar vroeg, bleek zoiets ook voor mij mogelijk.”

Het is één van de redenen dat Sanne het belangrijk vindt haar verhaal te vertellen: ze hoopt dat het leidt tot meer erkenning voor geneeskundestudenten met een burn-out. “Ik heb gemerkt dat veel mensen niet weten wat een burn-out precies is. Ze denken dat je vanzelf weer beter wordt als je maar genoeg rust neemt. Als ze zien dat een dag goed met je gaat, verwachten ze dat het over is. Maar zo werkt het niet. Met rust nemen behandel je de symptomen, maar niet de oorzaak. Een burn-out hangt niet af van hoe groot je workload is, maar van het belang dat je aan dat werk hecht.”

In november pakt Sanne de draad weer op en begint ze opnieuw met de voorbereidingsvakken op de coschappen. Ze heeft geleerd te relativeren, vertelt ze. “Ik ben nog steeds een perfectionist, maar ik kan nu een punt achter de dingen zetten, en vinden dat ik er genoeg aan heb gedaan. Als het lukt, is dat mooi. Zo niet, dan heb ik het ook maar gewoon geprobeerd. Falen is minder erg geworden.”

Sanne is een gefingeerde naam.

Auteur: Cartrien Spijkerman